Drie berachot
(drie zegeningen)
De volgende zegeningen worden uitgesproken voordat de menora wordt aangestoken.
1e gebed, op alle dagen:
בָּ רוּך ְ א ַ ת ָּ ה ה׳ א ֱ ל ֹ ה ֵ ינוּ מ ֶ ל ֶך ְ ה ָ עוֹל ָ ם א ֲ ש ׁ ֶ ר
ק ִ דּ ְ ש ׁ ָ נוּ בּ ְ מ ִ צ ְ וֹת ָ יו וְצ ִ וָּנוּ ל ְ ה ַ ד ְ ל ִ יק נֵר ח ֲ נֻכ ָּה
Ba-roech A-tah Ado-nai E-lo-hé-
noe Mè-lech ha-olam a-sher
kie-de-sha-noe be-mitz-wo-taw
we-tzi-wa-noe le-had-liek nér Cha-noe-ka.
Gezegend bent U, Eeuwige onze G-d,
Koning van de wereld, die ons geheiligd
heeft door Zijn mitswot en ons
geboden heeft de Chanoeka lichtjes aan te steken.
2e gebed op alle dagen voor het aansteken:
בָּ רוּך ְ א ַ ת ָּ ה ה׳ א ֱ ל ֹ ה ֵ ינוּ מ ֶ ל ֶך ְ ה ָ עוֹל ָ ם ש ׁ ֶ ע ָ שׂ ָ ה
נ ִ ס ִּ ים ל ַ א ֲ בוֹת ֵ ינוּ בַּ יָּמ ִ ים ה ָ ה ֵ ם בּ ִ זּ ְמ ַ ן ה ַ זּ ֶה
Ba-roech A-tah Ado-nai E-lo-hé-
noe Mè-lech Ha-olam shè-a-sa ni-
siem la-awo-té-noe ba-ya-miem
ha-hém bi-zman ha-zè.
Gezegend bent U, Eeuwige onze G-d,
Koning van de wereld, die wonderen
deed voor onze voorouders, in die
dagen, in deze tijd.
3e gebed, alleen de eerste keer dat je aansteekt:
בָּ רוּך ְ א ַ ת ָּ ה ה׳ א ֱ ל ֹ ה ֵ ינוּ מ ֶ ל ֶך ְ ה ָ עוֹל ָ ם
ש ׁ ֶ ה ֶ ח ֱ יָנוּ וְק ִ יּ ְמ ָ נוּ וְה ִ גִּ יע ָ נוּ ל ִ זּ ְמ ַ ן ה ַ זּ ֶה
Ba-roech A-tah Ado-nai E-lo-hé-
noe Mè-lech Ha-olam shè-hèchè-
ya-noe we-ki-ye-ma-noe we-higi-
ja-noe liz-man ha-zè.
Gezegend bent U, Eeuwige onze
G-d, Koning van de wereld, die ons het
leven heeft geschonken en ons in staat
gesteld heeft dit tijdstip te bereiken.
Hanérot Halaloe
ה ַ נֵרוֹת ה ַ ל ָ לוּ
Ha-né-rot ha-la-loe
Deze lichten
א ָ נוּ מ ַ ד ְ ל ִ יק ִ ין ע ַ ל ה ַ ת ְּ ש ׁ וּעוֹת וְע ַ ל ה ַ נ ִ ס ִ ים
וְע ַ ל ה ַ נ ִ פ ְ ל ָ אוֹת
A-noe mad-li-kien al ha-te-sjoe-ot
We-al ha-ni-siem we-al ha-nief-la-ot
ontsteken wij ter herinnering aan de
wonderen en tekens.
ש ׁ ֶ ע ָ שׂ ִ ית ָ ל ַ א ֲ בוֹת ֵ ינוּ, בַּ יָמ ִ ים ה ָ ה ֵ ם בּ ִ זְמ ַ ן ה ַ זֶה,
She-a-sie-ta la-awo-tee-noe
Ba-ya-miem ha-heem biez-man ha-zè
wat U voor onze voorouders heeft
verricht, in die dagen, in deze tijd
ע ַ ל יְד ֵ י כ ּ ֹה ַ נֶיךָ ה ַ ק ְ דוֹש ׁ ים.
Al ye-dee ko-ha-nè-cha ha-ke-do-sjiem
door Uw geheiligde priesters.
וְכָל ש ׁ ְ מוֹנַת יְמ ֵ י ח ַ נֻכ ָּה, ה ַ נֵרוֹת ה ַ ל ָ לוּ קֹד ֶ ש ׁ ה ֵ ם,
We-chol sje-mo-nat ye-mee cha-noe-kah
Ha-nee-rot ha-la-loe ko-desh heem,
en alle acht dagen van Chanoeka zijn
deze lichtjes geheiligd
וְא ֵ ין ל ָנוּ ר ְ ש ׁ וּת ל ְ ה ִ ש ׁ ְ ת ַּ מ ֵ ש ׁ בָּ ה ֵ ן א ֶ ל ָ א
ל ִ ר ְ אוֹת ָ ן ל ְ ב ָ ד,
We-één la-noe re-sjoet le-hiesj-ta-
Oe-wejado ha-gedoe-la
meesj ba-hen, E-lo lir-o-tan bil-wad
en we hebben geen toestemming
om er gebruik van te maken,
uitsluitend om er naar te kijken
כ ְּ ד ֵ י ל ְ הוֹדוֹת וּל ְ ה ַ ל ֵ ל ל ְ ש ׁ ִ מ ְ ךָ ה ַ גָדוֹל,
Ke-dee le-ho-dot oe-le-ha-lel
le-sjiem-cha ha-ga-dol,
zodat wij Uw grote Naam danken en prijzen
ע ַ ל נ ִ ס ֶ יךָ וְע ַ ל נ ִ פ ְ ל ְ אוֹת ֶ יךָ וְע ַ ל יְש ׁ וּעוֹת ֶ יךָ.
Al ni-sè-cha we-al nif-lo-tè-cha we-
al ye-sjoe-oa-tècha.
Voor al Uw wonderen en Uw
verlossingen en uw reddingen.
Ma’oz Tsoer
Couplet 1
מָעוֹז צוּר יְשׁוּעָתִי לְךָ נָאֶה לְשַׁבֵּחַ
תִּכּוֹן בֵּית תְּפִלָּתִי וְשָׁם תּוֹדָה נְזַבֵּחַ
לְעֵת תָּכִין מַטְבֵּחַ מִצָּר הַמְנַבֵּח
אָז אֶגְמֹר בְּשִׁיר מִזְמוֹר חֲנֻכַּת הַמִּזְבֵּחַ
Mah-ohz tzoor yeh-shoo-ah-tee leh-kha nah-eh le-shah-bay-ah-kh
Tee-kohn bayt teh-fee-lah-tee veh-sham toh-dah neh-zah-bay-ah-kh
Leh-ayt tah-kheen maht-bay-akh mee-tzahr hah-meh-nah-bay-ah-kh
Ahz, ehg-mohr beh-shir miz-mohr kha-noo-kaht hah-miz-bay-ah-kh
Mijn machtige, rotsvast hulp, mijn verlossing, aangenaam is het U te prijzen.
Herstel toch mijn gebedshuis, dan willen we U daar een dankoffer brengen.
Wanneer u de plaats van de terechtstelling van de vijand zult bepalen, dan zal ik met psalmgezang de herinwijding van het altaar voleindigen.
Couplet 2
רָעוֹת שָׂבְעָה נַפְשִׁי בְּיָגוֹן כֹּחִי כָּלָה
חַיַּי מֵרְרוּ בְקֹשִׁי בְּשִׁעְבּוּד מַלְכוּת עֶגְלָה
וּבְיָדוֹ הַגְּדוֹלָה הוֹצִיא אֶת הַסְּגֻלָּה
חֵיל פַּרְעֹה וְכָל זַרְעוֹ יָרְדוּ כְּאֶבֶן בִּמְצוּלָה
Rah-oht sah-vah nahf-shee beh-yah-gohn koh-khee kah-lah
Kha-yai may-reh-roo veh-koh-shee, beh-shee-bood mahl-khoos ehg-lah
Oo-veh-yah-doh hah-geh-doh-lah hoh-tzee eht hah-seh-goo-lah
Khayl pah-roh veh-khol zah-roh yahr-doo keh-eh-vehn bim-tzoo-lah
Mijn ziel is oververmoeid van alle tegenslag, mijn kracht door zorgen bezweken.
Mijn leven is bitter door dwangarbeid onder Egyptisch bewind.
Hij, die grootste macht bezit, heeft Zijn geliefd bezit eruit gevoerd.
Het leger van Farao en al de zijnen zonken als een steen in de diepte.
Couplet 3
דְּבִיר קָדְשׁוֹ הֱבִיאַנִי וְגַם שָׁם לֹא שָׁקַטְתִּי
וּבָא נוֹגֵשׂ וְהִגְלַנִי כִּי זָרִים עָבַדְתִּי
וְיֵין רַעַל מָסַכְתִּי כִּמְעַט שֶׁעָבַרְתִּי
קֵץ בָּבֶל זְרֻבָּבֶל לְקֵץ שִׁבְעִים נוֹשַׁעְתִּי
Deh-veer kohd-sho heh-vee-ah-nee veh-gahm sham loh sha-kah-teh-tee
Oo-va noh-gays ve-hig-lah-nee kee zah-rim ah-vah-deh-tee
Veh-yayn rah-ahl mah-sakh-tee kim-aht sheh-ah-var-tee
Kaytz bah-vehl zeh-roo-bah-vehl leh-kaytz shee-vim noh-sha-tee
Hij bracht mij naar Zijn heilige tempel. Maar ook daar vond ik geen veiligheid.
Nebudkadnezar verdreef mij en stuurde mij in ballingschap, omdat ik afgoden had gediend.
Ik moest van de lijdensbeker drinken en was bijna ten ondergegaan.
Het einde kwam, Zeroebawel werd aangesteld; Na zeventig jaar werd ik gered.
Couplet 4
כְּרוֹת קוֹמַת בְּרוֹשׁ בִּקֵּשׁ אֲגָגִי בֶּן הַמְּדָתָא
וְנִהְיָתָה לוֹ לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ וְגַאֲוָתוֹ נִשְׁבָּתָה
רֹאשׁ יְמִינִי נִשֵּׂאתָ וְאוֹיֵב שְׁמוֹ מָחִיתָ
רֹב בָּנָיו וְקִנְיָנָיו עַל הָעֵץ תָּלִיתָ
Keh-roht koh-maht beh-roh-sh bee-kaysh ah-gah-gee ben hah-meh-dah-tah
Veh-nee-heh-yah-tah loh leh-fahkh oo-leh-moh-kaysh veh-gah-ah-vah-toh nish-bah-tah
Roh-sh yeh-mee-nee nee-say-ta veh-oh-yayv sheh-moh mah-khee-tah
Rohv bah-nahv veh-kin-yah-nahv ahl hah-aytz tah-lee-tah
Haman, de Aggagiet, zoon van Hammedata wilde Mordechaj, die als een cypres overeind stond, vellen. Dit bracht hem ten val en zijn trots werd gebroken. De Benjamiet, Mordechaj, hebt U op een hoge post geplaatst. De naam van de vijand hebt U uitgewist; Zijn talrijke kinderschaar, zijn bezit, hebt U aan de galg gehangen.
Couplet 5
יְוָנִים נִקְבְּצוּ עָלַי אֲזַי בִּימֵי חַשְׁמַנִּים
וּפָרְצוּ חוֹמוֹת מִגְדָּלַי וְטִמְּאוּ כָּל הַשְּׁמָנִים
וּמִנּוֹתַר קַנְקַנִּים נַעֲשָׂה נֵס לַשּׁוֹשַׁנִּים
בְּנֵי בִינָה יְמֵי שְׁמוֹנָה קָבְעוּ שִׁיר וּרְנָנִים
Yeh-vah-nim nik-beh-tzoo ah-lai ah-zai bee-may khash-mah-nim
Oo-fahr-tzoo khoh-moht mig-dah-lai veh-tim-oo kohl hah-sheh-mah-nim
Oo-mee-noh-tahr kahn-kah-nim nah-ah-seh nays lah-sho-shah-nim
Beh-nay vee-nah yeh-may sheh-moh-nah kah-veh-oo shir oo-reh-nah-nim
Toen, in de dagen van de Chasjmioneeërs, hadden ver-Griekste Syriërs zich tegen ons aaneengesloten. Ze schoten een bres in mijn vestingmuren en maakten alle olie onrein.
Maar met het laatste restje in de kruiken werd voor Israël een wonder gedaan.
Wijze mannen hebben daarna de ‘acht dagen voor lied en juichen’ vastgesteld.
Couplet 6
חֲשׂוֹף זְרוֹעַ קָדְשֶׁךָ וְקָרֵב קֵץ הַיְשׁוּעָה
נְקֹם נִקְמַת עֲבָדֶיךָ מֵאֻמָּה הָרְשָׁעָה
כִּי אָרְכָה הַשָּׁעָה וְאֵין קֵץ לִימֵי הָרָעָה
דְּחֵה אַדְמוֹן בְּצֵל צַלְמוֹן הָקֵם לָנוּ רוֹעִים שִׁבְעָה
Kha-sohf zeh-roh-ah kohd-sheh-kha veh-kah-rayv kaytz hah-yeh-shoo-ah
Neh-kohm nik-maht ah-vah-deh-kha may-oo-mah hah-reh-shah-ah
Kee ahr-kha hah-sha-ah veh-ayn kaytz lee-may hah-rah-ah
Deh-khay- ahd-mohn beh-tzayl tzahl-mohn hah-kaym lah-noo roh-eem shiv-ah
Openbaar Uw heilige arm en bespoedig de dag van de verlossing, neem wraak op de moedwillige booswichten voor hen die u dienen. Want het duurt al zo lang, er komt geen eind aan de ongelukstijd. Verstoot de aartsvijand ‘Esav tot in de diepste schaduw van de dood en stel zeven herders aan – om Uw kudde te bewaken.